Op het strand. Ik ben zeven en mijn moeder en broertje kwijt Ik ben bang en ik hoor Duits. Nou, dat is hetzelfde eigenlijk Rondom mij is lillend Duits vlees. Ik loop tegen een Duitse buik op Wirtschaftswunderbuiken noemde mijn vader die. Mijn vader had het niet zo op Duitsers Ik grijp een Duitser bij zijn schinken "Wie sitzt das nun eigentlich mit dem Krieg? Ik heb een trauma hoor je dat? Ik ben van de vierde generatie, maar daar krijg je geen uitkering voor. Der Krieg Kinkel" O nee, Kinkel, die had je toen nog niet. Nou je had ze wel, alleen, ze waren nog gewoon boer, geen minister De duitser draait zich om en antwoordt met een wedervraag: "Wil je misschien een ijsje?" Hij zei ijsje, hoorde je dat. Een Duitser, ijsje Dat strookte nou niet bepaald met het beeld dat mijn ouders mij van dit volk met de paplepel hebben ingegoten Ik kan het niet aannemen, dat zou collaboratie zijn en zeg daarom ferm "Sodemieter op met je ijs, Duitser." Ik ga maar in de zon liggen op het strand. Dat kan ook niet meer gewoon, zonnen op het strand. Heb je eindelijk eens een dag mooi weer en je ligt nog geen seconde in het zand of er komt een bus met werkloze dermatologen langs: "Weet u wel dat dat heel gevaarlijk is, liggen in de zon, daar kunt u huidkanker van krijgen, wist u dat wel." Weet je wat mij is opgevallen? Tegen Duitsers zeggen die mensen van die kankerbus niets. Laten ze gewoon liggen. Want een goeje Mof is een Jezus, dat jullie dat zomaar afmaken Maar als ik zeg: "Een goeje Turk is een...?", dan hoor je niks. Omdat iedereen in zijn broek schijt om voor fascist te worden uitgemaakt. Terwijl die Turken net zo goed of fout zijn als die Duitsers, kijk maar naar Koerdistan. Maar met Duitsers mag het blijkbaar wel, en dat komt, volgens mij, door de oorlog Ja. Dat is een heel nieuw inzicht. Ik zal even mijn trauma uitleggen. Ik ben opgegroeid met de oorlog. Mijn ouders hebben niet gevangen gezeten, ze zijn geen dierbaren verloren, ze hebben niet in het verzet gezeten, daar waren ze nog veel te klein voor, ze hebben hem gewoon meegemaakt, de oorlog. En het besef, dat zij leefden terwijl miljoenen werden vergast, dat is iets, waarover zij nooit konden ophouden zich te verbazen Zes miljoen: elke keer als mijn vader het zei, klonk het, alsof ik dit cijfer voor het eerst hoorde, zes miljoen. Bij ons thuis was de oorlog er altijd. Elke dag werd je wel met de oorlog geconfronteerd Al was het alleen maar door de stank van verrotte etenswaren in de keuken moeder bewaarde alles. Een tic die ze van de hongerwinter had overgehouden Uiterste verkoopdata werden door haar met minstens een jaar verlengd Regelmatig ontploften er bij ons thuis in de ijskast bekertjes vruchtenyoghurt Dan dacht vader dat het weer oorlog was De oorlog was er altijd. Als Duitsers je de weg vroegen dan wees je ze de verkeerde kant uit Vader had ons bevolen bij zulk soort gelegenheden de volgende tekst uit te spreken: "U gaat hier rechtsaf de Churchillaan op, dan gaat u links de Rooseveltlaan in, tot u uitkomt op het Montgocabareteryplein, dan kunt u achter het Jaltamonument uw BMW parkeren, en dan bevindt u zich op loopafstand van het Anne Frankhuis." Toch heb ik Duits als eindexamenvak op de middelbare school gekozen, mijn vader mocht dat niet weten. Naamvallen oefenen, dat deed ik in de kelder Dat was dezelfde kelder, waar mijn vader gedurende de bange oorlogsdagen met een vergiet op hun kop naar radio Oranje had zitten luisteren. Met dit verschil dat ik ten aanzien van de Duitse woordjes het vergiet niet op maar in mijn kop had zitten Mijn vader kwam er toch achter. Hij is de kelder binnengevallen en heeft al mijn Duitse leerboeken geconfisceerd en in de open haard geflikkerd Terug naar het strand. Ik ben zeven, Vlieland 1972. Er is nog niks gebeurd op dat strand. Ja, ik heb een bal tegen mijn kop gekregen en iemand heeft me geprobeerd te onthoofden met een frisbee. Ik heb een ongelofelijke dorst gekregen. Ik had eigenlijk gewoon dat ijsje moeten nemen van die Duitser, dan had ik een raket genomen, er waren nog geen magnums Dat gezeik over die oorlog, daardoor heb ik toch mooi mijn raket door mijn neus laten boren. Hij ligt nog achter me, die mof Zal ik het hem gewoon vragen "Eis!" Je moet ze gewoon cocabaretanderen dat doen zij ook altijd "Ja," zegt hij, "your eyes are very bad." "Nee joh, lul, ik praat geen Engels, ik praat Duits. "Ich will eis." "Nein." "No, only one." En verdomd, twee minuten later heb ik een raket te pakken. De vrede tussen mij en de Duitser is een feit. We sluiten een pakt, de vrede van Vlieland De Duitser en ik, wij zijn een gesprek begonnen over goed en kwaad. Ik ben zeven en zo geprogracabareteerd dat ik Duitsers niet aardig vind en de rest wel. Hij vertelt van Japanners en Italianen, die ook fout waren in de oorlog Het wil maar moeilijk tot mijn kinderbrein doordringen. Alleen moffen toch alleen moffen "Nee," zegt hij, "iedereen was en is fout. De Chinezen, de Tibetanen, de Russen, de Afghanen, de Vietnamezen, de Amerikanen, de Cubanen, de Noordkoreanen, de Zuidkoreanen, de Noordjemenieten, de Zuidjemenieten, de Serviers, de Kroaten, de Hutu's, de Tut- si's, iedereen is fout. Der Mensch ist den Menschen ein trauriges Ungeheuer" "Ha", denk ik, "dat is Reiner Maria Rilke", ik ben zeven "Is iedereen fout?" "Ja, iedereen." "O ja joh?" "Ja, iedereen." "Nee joh." "Jawel" "Nee joh" "Jawel" "Nee joh" "Jawel", en dat sleept zich nog zo'n drie kwartier voort, en we bestellen nog een raket "Nee joh" "Jawel" "Nee joh" "Jawel", en we bestellen nog een chocoladecornetto "Nee joh" "Jawel" "Nee joh" "Jawel" "Met nootjes" "Nee joh" "Jawel" "Nee joh" "Jawel" "Zonder nootjes" "Nee joh" "Jawel" "Nee joh" "Jawel", en op dat moment voegt een Noordvietnamese loempiaverkoper zich bij ons "Roempia's, roempia's, rekkele roempia's!" "Ha, Noordvietnamese loempiaverkoper," zegt de Duitser. "Je komt als geroepen Ik heb een interessant vraagje aan je. Wie waren er fout in Vietnam?" "De Zuidvietnamezen," zegt de Noordvietnamese loempiaverkoper. "Ja, en wie nog meer?" "O, de Amerikanen." "Juist," knort de Duitser tevreden. En op dat moment spoelt er een Zuidvietnamese bootvluchteling aan "Woempia's, woempia's, wekkere woempia's!" "Ha Zuidvietnamese bootvluchteling, je komt als geroepen," zegt de Duitser. "Ik heb namelijk een interessant vraagje aan je. wie waren er fout in Vietnam?" "De Noordvietnamezen." "Ja, en wie nog meer?" "O, de Russen." De Duitser roept: "Zie je nou wel, iedereen is fout, iedereen is fout. De mens is dom en leert nooit van de geschiedenis." Dat laatste had hij beter niet kunnen zeggen. hij wordt getroffen door een frisbee, wankelt en zakt in elkaar. Ik roep om hulp. De reddingsbrigade is vlakbij maar wil niet helpen, het is niet in het water gebeurd De EHBO is ook vlakbij maar wil ook niet helpen, het was geen ongeluk, eerder geluk, zeggen ze Er komen steeds meer mensen om ons heen staan. Ze lachen, klappen en juichen Blikjes Heineken worden over hem leeggespoten, een bifiworstje in zijn reet gestopt. Enkelen beginnen zand over hem heen te gooien Ik probeer hem weg te slepen want ik heb medelijden, maar het lukt me niet, ik mag dan wel wijs zijn voor mijn leeftijd, ik blijf zeven Iedereen is weg. Ik blijf zitten bij de gevelde Duitser. Net dacht ik nog dat hij dood was, maar nu hoor ik boven het geruis van de branding uit zijn gorgelende adem. In de verte rocabaretelt de donder. We moeten hier weg Ik schud aan de Duitser, het bifiworstje valt uit zijn reet Hij begint te bewegen en komt langzaam overeind. Valt, probeert het nog een keer en blijft dan wankel staan, steunend op mij Ik ben zeven "Waar moet je heen, Borschen," vraagt de Duitser. Ik vertel hem waar het idyllische huisje staat waar wij de vakantie doorbrengen. Ik kan het alleen niet vinden, je moet een drukke weg oversteken en dan langs prikkeldraad in de duinen Hij zegt: "hab' kein angst. Geh nicht durch die bose Strasse wo die schonen Augen wohnen." "Ha, dat is Heinrich Heine" denk ik Ik ben bijna acht. De dichtregel heeft veel van zijn krachten gevergd. Op de top van het eerste duin zakt de Duitser weer in elkaar, maar we moeten verder want het onweer nadert. Als de eerste druppels vallen gaan wij het idyllische huisje binnen. Een Duitser heeft mij thuisgebracht Mijn familie schrikt van het Duitse wrak, dat zo uit de slag om Stalingrad lijkt te komen. "Mag hij zich douchen?" vraag ik. "Goed," zegt mijn moeder "Maar kaal scheren hoeft niet!", roept mijn vader Niemand lacht. Even later komt de Duitser melden dat "das Auglein des Duschenkopfs nicht auf der Stange passt." "Dat komt door dat verdacabarette klere-Europa!" buldert mijn vader. De Duitser is het hier volledig mee eens en het ijs is gebroken Blikjes Heineken worden opengetrokken en de Bifiworstjes verschijnen op tafel De kinderen zijn verbaasd. De stecabareting wordt steeds vrolijker. Dan begrijpen wij, dat onze ouders de Duitser dankbaar zijn, dat hij mij weer veilig heeft thuisgebracht Als wij naar bed moeten, hebben ze het over vogels kijken, en ze spreken af elkaar volgend jaar in het Schwarzwald te ontmoeten. De Tweede Wereldoorlog is voorbij